Gezamenlijke reactie op sectoradvies theater Raad voor Cultuur

Zonder grenzen

Met Over Grenzen pleit de Raad voor Cultuur voor een diverse en inclusieve theatersector waarin een breed en kwalitatief hoogstaand aanbod geworteld is in de maatschappij en de lokale gemeenschap. Een mooi perspectief dat wij van harte onderschrijven. En misschien kunnen we nog een stapje verder dromen. Dat grenzen vervagen en in belang afzwakken. Dat we de sector, onszelf, niet hoeven te bewegen om over grenzen te stappen omdat we de grenzen niet meer ervaren. Omdat de ander een logische partner is. Omdat we de ander tegenkomen op het podium, in het publiek, op school en in het buurthuis.

Maar dat gaat niet vanzelf. De raad doet aanbevelingen voor overheden en de professionele theatersector. De aandacht in het advies voor de jeugdtheatersector is terecht. Jeugdtheatergezelschappen krijgen relatief weinig subsidie, terwijl ze een spil zijn in de lokale samenwerking met scholen en andere maatschappelijke organisaties. Een belangrijke ontwikkeling die de raad constateert is dat educatie steeds vaker vertegenwoordigd is in het artistieke team. Met name bij diezelfde jeugdtheatergezelschappen is educatie vaak onlosmakelijk verbonden met de artistieke visie. Die verbondenheid tussen professioneel (jeugd)theater en educatie en participatie is van groot belang, maar krijgt in de rest van het advies weinig aandacht.

Want hoewel de raad in de inleiding het belang van theater op school en in de vrije tijd benadrukt, komt theatereducatie in de verdere aanbevelingen in het algemeen beperkt terug en ontbreekt een visie op amateurtheater en theaterparticipatie vrijwel geheel.

Terwijl juist dáár die wortels van de theatersector liggen. Dat is de humuslaag waar talent ontspruit. De raad stelt dat ‘talentontwikkeling begint bij de start van de professionele carrière van de theatermaker’. Voor ons komt dat pas later. Talentontwikkeling begint bij dat eerste zaadje. Die eerste keer dat je je mag verliezen in de magie van een voorstelling. Die eerste keer dat je op een podium staat en ontdekt dat je wél durft te praten voor publiek en dat mensen je willen horen. Misschien zelfs die eerste keer dat je ontdekt dat je broertje moet lachen als jij tussen de schuifdeuren een typetje doet. En dat gebeurt thuis bij je ouders, dat gebeurt op school, in het buurthuis, de jeugdtheaterschool of bij de toneelvereniging. Dat gebeurt lokaal. Daar waar kansen liggen om echt iedereen te laten kennismaken met theater en de passie voor kijken of spelen aan te wakkeren. Ook bij die mensen van wie de talenten misschien niet altijd direct zichtbaar zijn in de samenleving zoals mensen met een (verstandelijke) beperking. Mensen met evenzoveel talent en ambitie die ook bijdragen aan een diverse en inclusieve theatersector. Want juist theater biedt mogelijkheden voor íedereen om gelijkwaardig te participeren vanuit zijn of haar eigenheid. Zo’n brede blik op talentontwikkeling maakt het ook voor iedereen mogelijk om zich potentieel te ontwikkelen tot professionele theatermaker.

Vanuit die visie doen we dan ook graag enkele aanvullende aanbevelingen voor theatereducatie en -participatie.

Kwaliteitsslag in het onderwijs

De raad noemt terecht het belang van theatereducatie in het onderwijs en van een combinatie van actieve en receptieve educatie. Overigens blijkt uit onderzoek dat juist door actieve deelname op jonge leeftijd mensen op latere leeftijd ook vaker ‘passief’ betrokken blijven. De raad roemt de doorlopende leerlijn die we voor theatereducatie hebben. Alleen al het gegeven dat wij eerlijk gezegd niet zeker weten welke leerlijn de raad hiermee bedoelt, zegt misschien voldoende. Er is een leerplankader van het SLO voor het basisonderwijs, maar helaas weten we maar al te goed dat dit bij de meeste leerkrachten niet of nauwelijks bekend is. Kennis en expertise op theatergebied ontbreekt op veel plekken in het onderwijs. De kwaliteitsimpuls komt veelal vanuit de culturele instellingen zelf. En dat is lastig want door de curriculumvrijheid in het Nederlandse onderwijs valt er eigenlijk geen ‘standaardprogramma’ te maken. De raad benoemt dan ook terecht de focus op een langlopende dialoog als een van de successen van Cultuureducatie met Kwaliteit. Inzetten op meer bemiddeling tussen onderwijs en theateraanbod lijkt ons daarom niet de enige oplossing. Wel inzetten op meer bekendheid met en kennis van theater in de school zodat de school die dialoog volwaardig aan kan gaan. We zien dat de Impuls Muziekonderwijs vruchten afwerpt en op scholen de kennis van en waardering voor muziek vergroot. Theater verdient eenzelfde kwaliteitsimpuls in het onderwijs, omdat juist theater gaat over jezelf en de ander. Dat maakt theater bij uitstek geschikt om grenzen te doorbreken, om te werken aan persoonsvorming, sociale vaardigheden en groepsvorming.

We onderschrijven ook de aandacht voor het MBO maar zien hierin niet alleen een opdracht aan aanbieders om programma’s te ontwikkelen. Die zijn er op veel plaatsen al. Ook hier zien wij een grotere urgentie in het onderwijs zelf, waar kennis van en budget voor cultuureducatie veelal nog ontbreekt. De MBO-kaart kan benut worden om de vraag in het onderwijs te stimuleren door hier (net als in het VO) een bedrag op te zetten van 10 euro voor cultuur.

Pak regionaal en lokaal de bal op

De raad pleit voor regionale afspiegeling en instellingen die geworteld zijn in hun lokale omgeving. Dat onderschrijven wij en wij willen ervoor pleiten in regionale allianties actief verbindingen te leggen tussen de professionele sector en de amateursector. In regionale of lokale allianties kunnen professionele instellingen samen met kunsteducatie instellingen en het amateurveld zorgen voor een rijk klimaat waarin iedereen de kans krijgt kennis te maken met theater, zijn talenten te ontdekken en misschien wel door te groeien tot de top. Nu zien we lokaal ook wel concurrerende educatieprogramma’s, vooropleidingen of talentontwikkelingsprogramma’s. Sommige instellingen zijn noodzakelijkerwijs bezig met overeind blijven. Maar overeind blijven belemmert echt creëren, overeind blijven belemmert de focus op de kansen voor de maatschappij en voor alle (potentiële) beoefenaars, jong en oud, in je omgeving. Wij pleiten dan ook voor een regionale of provinciale aanpak waarin de culturele sector in haar volle breedte de handen ineen slaat voor een rijk klimaat waarin professionals en amateurs elkaar kunnen ontmoeten en voeden.

Dat vraagt ook iets van lokale overheden. Zij kunnen helpen die cultuurrijke leer- en leefomgeving in stand te houden en daarmee de verbinding tussen binnen- en buitenschoolse theatereducatie en te stimuleren. In de buitenschoolse educatie en participatie zou meer verbinding gelegd kunnen worden met podia en gezelschappen, passend bij het stimuleren van contextprogramma’s zodat er een breder geheel ontstaat.

Ook educatie en participatie in suppletie-subsidies

De raad stelt voor om het theaterbestel meer te richten op maatwerk waarbij gezelschappen die via de BIS of door het FPK gesubsidieerd worden in een nieuw stelstel ruimte hebben om een eigen profiel te kiezen waarvoor zij aparte suppletie-subsidies kunnen aanvragen. Dat juichen wij toe en we pleiten ervoor hierin ook ruimte mee te nemen om te kiezen voor een meer maatschappelijk profiel, voor educatie en taken in verbinding met het amateurveld en lokale culturele instellingen. Daarmee sluit subsidie voor de top aan op de behoefte van de breedte. Niet alleen landelijk, ook regionaal of provinciaal zou dat goed zijn. Zo kunnen top en breedte elkaar versterken. Dat maakt de cirkel rond: de professional kan met al zijn expertise weer iets teruggeven aan de plek waar hij ooit zelf begonnen is en dat vlammetje voor theater bij een ander aanwakkeren.

2 april 2018

Tineke Ubbels, Beroepsvereniging Docenten Drama en Theater
Leoni van Veen en Sanne van den Hoek, Platform Theater
Fokke Broersma, Stichting Improvisatie en Theatersport Nederland
Theo Frentrop, Vereniging Ongekend Talent
Thijn Kolk, Landelijke Organisatie Studenten Theaterverenigingen
Cock Dieleman, Universitair docent Universiteit van Amsterdam
Paul de Vries, studieleider Hogeschool voor de Kunsten, docent theater
Ronald Kox en Nicole Stellingwerf, Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie en Amateurkunst